Ik zie je nog zo binnenkomen bij het Viveré Centrum, samen met je ouders. Je zei dat je eigenlijk maar één ding nodig had: een stabiele en veilige plek, waar je niet na een tijdje weer thuis zou komen te zitten. Dat was je te vaak overkomen, en het was duidelijk dat je niet uit vrije wil bij ons binnenstapte. Maar na de kennismaking draaide dat volledig om. Ik zag aan je dat er een klik was, dat je nieuwsgierig werd, en dat je stiekem al stond te popelen om te beginnen. Niet per se om meteen met school aan de slag te gaan, maar vooral om ergens te zijn waar je je veilig kon voelen.

In de eerste weken moest je nog even je plek vinden. Je was de jongste van de groep, en dat merkte je — en wij ook. Je bent een uitgesproken puber, en we hebben momenten gehad waarop we allemaal dubbel lagen van het lachen om jou. De momenten waarop je achter het behang geplakt kon worden, laten we voor het gemak even achterwege…

In bijna anderhalf jaar tijd heb je een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Je begon met huiswerk op het Centrum, daarna mocht je na hard werken een uurtje per week de klas in. In de klas wilde je je eerst weer bewijzen — misschien wel té graag. Ik zat in die periode vaak bij je in de klas, en ik zag hoe je soms harder werkte dan nodig was, alsof je in één klap alles wilde rechtzetten wat eerder misging. Ik heb je proberen te laten voelen dat je niet hoefde te knokken om erbij te horen. Hierdoor werd je steeds meer geaccepteerd in de klas, niet omdat je je best deed, maar omdat je jezelf durfde te laten zien.

Het Centrum voelde voor jou al snel als een extra familie: een plek waar je geaccepteerd werd, waar je vrienden maakte, en vooral — waar je jezelf kon zijn. Ook het contact met je ouders, dat in het begin aan een zijden draadje hing en waarbij andere woonplekken door het hoofd speelden, is nu stabiel. Zoals je zelf zo mooi zei: ‘Ik zie m’n ouders weer als ouders, en niet als begeleiders’.